Teaser:
Peter Sloep vraagt zich in zijn column af wat de rol van technologie zou moeten zijn in het onderwijs.
Eerste twee Nederlandse universiteiten in Second Life. Dat was de kop die 1 maart jongstleden op de Edusite stond: “Zowel de Vrije Universiteit als de TU Delft heeft besloten een vestiging te openen in de virtual reality omgeving Second Life. Ze zijn daarmee de eerste Nederlandse universiteiten die dat doen.” Bij het lezen van zo’n aankondiging word ik acuut kregel. Mijn vak is, huiselijk gezegd, de innovatie van het onderwijs met ict. Dat beslaat een breed terrein van activiteiten, variërend van leuke speeltjes die in het onderwijsleerproces kunnen worden ingezet tot slimme software die kan helpen de schoolorganisatie te stroomlijnen. Om dit soort werk te kunnen doen komt een zekere voorliefde voor gadgets goed van pas. Als je van de slimheid van de nieuwe iPhone niet in vervoering kunt raken, kom je er niet eens aan toe je af te vragen of je er iets nuttigs mee kan doen in het onderwijs; en als de schoonheid van XML je gestolen kan worden, zal de gedachte aan XML-gebaseerde uitwisseling van leerlinggegevens niet eens bij je op kunnen komen.
Maar dat technologie-enthousiasme heeft ook zijn keerzijde. Het leidt maar al te gemakkelijk tot het zoeken naar onderwijskundige toepassingen van een apparaat of applicatie omwille van louter het bestaan van dat apparaat of die applicatie. PDA’s? Handige apparaatjes, daar moeten we wat mee in het onderwijs,
mobiel leren misschien? Second Life (Voor wie het niet kent, een driedimensionale online omgeving die de gebruikers evan kunnen aanpassen en waarin iedereen zichzelf via een poppetje (avatar) representeert en door middel daarvan met anderen communiceert.) Spannend, leuk, kunnen we niet een virtuele school daar neerzetten? En zo heb je naast e-learning inmiddels ook m-learning en tref je allerlei door de Europese Unie gefinancierde projecten aan die proberen door mobiel leren de taal- en rekenvaardigheden te vergroten of het zelfstandig leren te versterken . En zo struikelden dus ook Nederlandse universiteiten onlangs over elkaar heen in hun pogingen het Amerikaanse MIT te volgen in zijn aanwezigheid in Second Life. Dat hoeft niet altijd slecht af te lopen, maar het heeft verdacht veel weg van een oplossing op zoek naar een probleem. En er zijn ook voldoende verhalen die bevestigen dat technology push bij de inzet van computers in het onderwijs tot rampen heeft geleid. Paul Oppenheimer’s relaas in The Flickering Mind over hoe dat in de VS is gegaan kan ik iedereen aanbevelen die hieraan nog twijfelt.
Technology pull dan maar? Je begint bij een onderwijs gerelateerd probleem, je doet een greep in de zak met instrumenten, zoekt naar het ‘beste’ volgens een lijst met criteria, implementeert dat vervolgens en lost zo op verantwoorde wijze het probleem op. Helaas werkt dat om een aantal redenen ook niet. Om te beginnen is deze aanpak veel te mechanisch om realistisch te kunnen zijn. De eerste smart boards waren een ramp om te gebruiken, je was altijd in de weer om ze aan de praat te krijgen en houden. Zonder het enthousiasme van de eerste gebruikers die de mogelijkheden ervan zagen en zo hielpen het ontwerp te verbeteren, zouden smart boards nooit een klas- of instructielokaal zijn binnengekomen. Dat keuzeproces is dus niet simpelweg een manier van de beste eruit halen, het is een kwestie van proberen en verbeteren, van visie en vasthoudendheid. Dit is ook de reden van mijn weerzin tegen de ‘best-of-breed’-aanpakken, die veel onderwijsinstellingen volgden bij de aanschaf van een elektronische leeromgeving. Je krijgt dan iets wat volgens ‘objectieve’ criteria(dat wil zeggen, die van een commissie) het beste is, iets waarmee je geen emotionele band hebt, een ding wat ‘het management’ je door de strot duwt. Waar het bij deze aanpak aan schort is dat ze uitgaat van een puur instrumentalistische kijk op technologie: een technologisch artefact, hardware of software, doet alleen waarvoor het ontworpen is en doet dat meer of minder goed. Niets is natuurlijk minder waar. Ik wil een iPhone, niet omdat de kwaliteit van mijn mobiele telefoongesprekken daar beter van wordt, maar omdat het ding zo mooi is om te zien en omdat hij zo ontzettend slim integreert met allerlei andere applicaties die ik regelmatig gebruik. Dat laatste betreft ook functionaliteit, maar verwijst naar de manier waarop ik die als gebruiker interpreteer. En daarmee zijn we terug bij de technology push, want technology push begint altijd bij iemand die zich aangesproken voelt door een stukje technologie, om wat voor reden ook.
Dus wat zal het zijn, push of pull? Ik vrees dat het antwoord ‘een beetje van allebei’ moet zijn. Zonder aanvankelijke bekoring voor een artefact komt onderwijsvernieuwing door de inbreng van technologie eenvoudigweg niet van de grond. Zonder zorgvuldige bezinning op wat je ermee wilt, wat dat oplevert en of dat niet handiger, goedkoper, effectiever anders had gekund, krijgen we zinloze projecten. De race om als eerste universiteit aan te kondigen dat je een stuk ‘grond’ in Second Life hebt gekocht, is wat mij betreft een voorbeeld van gebrek aan die zorgvuldigheid. Ik wil eerst wel eens zien wat er op die grond gebouwd gaat worden, een goede motivering horen vanuit een onderwijs- of onderzoeksperspectief. Tegen die tijd interesseert het me niet meer wie de eerste was, dan vind ik het alleen nog van belang te horen wie daar de aardigste dingen doet.
Peter Sloep
Peter Sloep was van 2003-2007 lector educatieve functies van ict. Hij is nu hoogleraar aan de Open Universiteit.